De vacht van je hond is meer dan een jas. Hij isoleert tegen kou en hitte, beschermt de huid tegen vuil en beschadiging, en vertelt je bovendien iets over hoe je hond eraan toe is. Goede verzorging houdt die vacht in conditie en zorgt ervoor dat je vroeg merkt als er iets niet klopt.
Het lastige is dat er geen algemeen antwoord bestaat op de vraag hoe je een hond verzorgt: alles hangt af van zijn vachttype. In deze gids lopen we het hele plaatje langs, van het bepalen van dat vachttype tot borstelen, klitten, de rui, wassen, de seizoenen en de verschillen per leeftijd. Onderaan vind je een praktisch verzorgingsschema.
Wat vachtverzorging eigenlijk doet
Borstelen en kammen zijn geen schoonheidsbehandeling. Er gebeuren vier dingen tegelijk:
- Losse haren eruit halen: haren die toch loslaten haal jij eruit, in plaats van dat ze door je huis dwarrelen. Dat scheelt bovendien klitvorming.
- Klitten voorkomen: een klit die je op tijd uitkamt is zo weg. Een klit die blijft zitten trekt aan de huid en kan uiteindelijk alleen nog worden weggeknipt.
- Vuil en zand verwijderen: veel viezigheid gaat er droog gewoon uit, zonder dat er water aan te pas hoeft te komen.
- Je hond van kop tot staart nalopen: misschien wel de belangrijkste. Tijdens het borstelen voel je bultjes, wondjes, teken of kale plekjes die je anders pas veel later zou opmerken.
Stap 1: bepaal het vachttype
Dit is het principe waar de rest op rust: wat jouw hond nodig heeft, wordt bepaald door zijn vachttype en niet door zijn ras of formaat. Twee kortharige honden kunnen totaal verschillende verzorging nodig hebben, afhankelijk van of er een ondervacht onder zit.
Een snelle manier om het vast te stellen: duw de haren bij de flank opzij en kijk of er een tweede, zachtere laag onder zit. Groeit het haar door zodat het geknipt moet worden? Voelt het stug en draderig aan? Met die drie vragen kom je er meestal uit. Hieronder de vijf typen in het kort.
Vind je het toch nog moeilijk om het vachttype van je hond te achterhalen? In deze blog hebben we de meest bekende hondenrassen en hun vachttypen beschreven.
Korte enkele vacht
Kort, glad haar zonder noemenswaardige ondervacht, zoals bij een Franse Bulldog of boxer. Weinig onderhoud: eens per week volstaat, en buiten de rui is minder zelfs beter.
Dubbele vacht
Een dekvacht met daaronder een dichte ondervacht, zoals bij een labrador, herder of sennenhond. Wekelijks onderhoud, en flink meer tijdens de twee ruipieken.
Lange sluike vacht
Lang, zijdeachtig haar met weinig ondervacht, zoals bij een Yorkshire of shih tzu. Klit snel en vraagt dagelijks tot een paar keer per week kammen.
Krul- en wolvacht
Krullend haar dat doorgroeit en nauwelijks verhaart, zoals bij een poedel of doodle. De meest onderhoudsgevoelige vacht, met periodiek de trimsalon erbij.
Ruwharige vacht
Een stugge, draderige bovenlaag met ondervacht, zoals bij een schnauzer of ruwharige teckel. Wordt bij de trimmer geplukt in plaats van geknipt.
Stap 2: hoe vaak borstel je?
De grote lijn per vachttype:
- Korte enkele vacht: ongeveer een keer per week, en dagelijks tijdens de rui.
- Dubbele vacht: wekelijks, en dagelijks tot om de dag tijdens de twee ruipieken.
- Lange sluike vacht: dagelijks is ideaal, een paar keer per week is het minimum.
- Krul- en wolvacht: dagelijks tot om de dag, plus een trimbeurt elke zes tot tien weken.
- Ruwharige vacht: wekelijks borstelen, met periodiek plukken bij de trimmer.
Vaker is niet altijd beter
Een misverstand dat veel voorkomt: dat je met extra borstelen je hond een plezier doet. Bij een korte vacht werkt dat averechts. Zitten er geen losse haren en blijf je toch borstelen, dan trek je haren uit die nog vastzaten, en daar reageert het lichaam op door nieuwe aan te maken. Het gevolg is meer verharing in plaats van minder.
Datzelfde geldt voor ontwolgereedschap bij een dubbele vacht: dat hoort in de ruiperiode thuis en niet in je wekelijkse routine. Kort en regelmatig werkt beter dan lang en fanatiek.
Het gereedschap op hoofdlijnen
Je hoeft geen kast vol spullen te hebben, maar het moet wel bij de vacht passen. Grofweg werkt het zo: een borstel gebruik je om de vacht door te werken en losse haren mee te nemen, en een kam gebruik je daarna als controlemiddel. Komt de kam zonder haperen tot aan de huid, dan ben je klaar; blijft hij ergens steken, dan zit daar nog een knoop.
Welk model borstel of kam bij jouw hond past, hangt weer af van het vachttype: een rubberen borstel of vachthandschoen voor korthaar, een borstel die de ondervacht bereikt bij een dubbele vacht, en fijne pinnen plus een kam bij lange en krullende vachten. Op de pagina's met hondenborstels en hondenkammen vind je per type wat je nodig hebt. Twijfel je, dan kan een hondentrimmer je dat in één blik vertellen.
De techniek in het kort
- Werk met de haren mee: en niet tegen de haarrichting in, tenzij je gericht ondervacht uitkamt.
- Druk niet te hard door: je borstelt de vacht, niet de huid. Trekt je hond weg, dan gebruik je te veel kracht of is het gereedschap te scherp.
- Werk bij een lange vacht in lagen: til het haar op en kam de onderste laag door tot aan de huid, en zo van onder naar boven. Over de bovenkant heen borstelen laat de knopen eronder ongemoeid.
- Bewaar de gevoelige plekken voor het laatst: oren, buik, poten en staart zijn kwetsbaarder dan de rug en de flanken.
- Houd het kort: een paar minuten per keer, vaker in de week, is prettiger voor je hond dan een lange sessie.
Klitten: voorkomen is het halve werk
Klitten ontstaan waar de vacht schuurt en beweegt: achter de oren, in de oksels, achter de poten, rond de staart en onder de halsband. Bij lange en krullende vachten gaat dat snel, want daar blijven losse haren tussen de vacht hangen in plaats van eruit te vallen.
Een klit is niet alleen lelijk maar ook onprettig, omdat hij bij elke beweging aan de huid trekt. Werk een knoop daarom altijd uit van de punt naar de aanzet toe en nooit met kracht in één ruk. Zit de vacht op grotere vlakken vast, stop dan en ga naar een trimmer: doorgaan doet pijn en lukt thuis meestal niet meer.
De rui: twee pieken per jaar
Honden met een ondervacht verharen het hele jaar een beetje, maar twee keer per jaar gaat het hard. In het voorjaar wisselen ze de wintervacht voor een lichtere zomervacht, en in het najaar gebeurt het omgekeerde. In die weken laat de ondervacht in plukken los.
In die periodes schroef je het borstelen op naar dagelijks of om de dag, en doe je het bij voorkeur buiten. Veel mensen met een dubbelevachthond laten daarnaast twee tot vier keer per jaar een ontwolbeurt bij de trimmer doen, waarbij de losse ondervacht er met wassen, blazen en uitkammen in één keer uit gaat.
Wassen en drogen
Wassen is minder vaak nodig dan de meeste mensen denken. De huid van een hond heeft een eigen vetlaagje dat beschermt, en te vaak wassen haalt dat weg. Voor de meeste honden is af en toe wassen genoeg, en verder is droog uitborstelen prima. Is je hond alleen modderig, laat de modder dan opdrogen en borstel hem eruit; dat werkt meestal beter dan meteen het bad in.
Drogen is minstens zo belangrijk als wassen. Een vacht die nat opdroogt zonder doorgekamd te worden, klit veel sneller, en bij dikke of lange vachten blijft het lang vochtig tot op de huid. Droog je hond daarom goed af na een bad, een regenbui of een zwempartij, met extra aandacht voor de oren, de poten en eventuele huidplooien.
De seizoenen
In de winter komt je hond vaker nat binnen, en natte vacht die niet wordt doorgekamd klit sneller. Loop na een winterwandeling ook even de poten na op strooizout en op ijsklonten tussen de tenen.
In de zomer spelen zand, zeewater en zon een rol. Spoel de vacht af na een dag op het strand, want zout en zand blijven anders in de vacht zitten. En wees voorzichtig met het idee om je hond kaal te scheren tegen de warmte: bij een dubbele vacht werkt de vacht juist ook isolerend tegen hitte, en de structuur kan na scheren blijvend veranderen. Overleg dat vooraf met een trimmer of je dierenarts.
Verschillen per levensfase
Bij een pup begin je met gewenning en niet met resultaat. Houd de sessies heel kort en positief, zodat aangeraakt en geborsteld worden gewoon wordt. Let er ook op dat de puppyvacht rond de vier tot vijf maanden wisselt naar de definitieve vacht; bij doodles en kruisingen kan dat pas rond de acht tot twaalf maanden gebeuren, en dan verandert het onderhoud vaak flink.
Bij een oudere hond verandert er weer iets anders. De huid wordt dunner en gevoeliger, en veel honden poetsen zichzelf minder goed als ze stijver worden. Werk dan zachter, houd de sessies korter en let extra op de plekken waar hij op ligt. Ook na een castratie of sterilisatie wordt de vacht bij veel honden voller en zachter, waardoor hij sneller klit dan je gewend was.
Zelf doen of naar de trimsalon?
Borstelen, kammen, afdrogen en af en toe wassen doe je gewoon zelf. Naar de trimmer ga je voor het werk dat vakmanschap en gereedschap vraagt: knippen bij een doorgroeiende vacht, plukken bij een ruwharige vacht, een ontwolbehandeling tijdens de rui, en een vacht die op grote vlakken vervilt is.
Hoe vaak dat nodig is, hangt af van het vachttype. Een knipvacht gaat gemiddeld elke zes tot tien weken, een plukvacht een paar keer per jaar, en een ontwolbeurt twee tot vier keer per jaar. Wat je thuis doet, bepaalt hoe makkelijk die beurt verloopt en hoeveel er af moet.
Hoe ziet een gezonde vacht eruit?
Een vacht in goede conditie voelt soepel aan, ligt gelijkmatig en heeft een natuurlijke glans, en de huid eronder is schoon en zonder rode plekken of schilfers. Wat normaal is verschilt wel per hond en per seizoen; tijdens de rui ziet elke vacht er nu eenmaal minder verzorgd uit.
Zie je veranderingen die niet met de rui of het weer te maken hebben, zoals kale plekken, aanhoudende jeuk, veel schilfers, een onaangename geur of een vacht die dof blijft ondanks goede verzorging, laat dat dan door je dierenarts nakijken. Verzorging houdt een gezonde vacht mooi, maar het is geen behandeling van een onderliggend probleem.
Een praktisch verzorgingsschema
Tot slot een ritme dat voor de meeste honden werkt. Pas de frequentie aan op je vachttype met het overzicht hierboven.
- Elke week: borstelen of kammen, en tegelijk je hond nalopen op bultjes, wondjes en teken.
- Bij een lange of krullende vacht dagelijks: kort doorkammen tot aan de huid, met extra aandacht voor de klitgevoelige plekken.
- Na elke natte of modderige wandeling: goed afdrogen en de vacht doorkammen zodra hij droog is.
- Twee keer per jaar: extra aandacht tijdens de ruipieken in voor- en najaar, eventueel met een ontwolbeurt.
- Elke zes tot tien weken bij een knipvacht: een trimbeurt inplannen; bij een plukvacht een paar keer per jaar.
- Af en toe: wassen als je hond echt vies is, en daarna goed drogen.